Analyse van een zakelijke tekst

ANALYSE ZAKELIJKE TEKST

STRUCTUUR

1.       Bepaal de driedeling inleiding-kern-slot.

2.       Analyseer de inleiding: anekdote, aanleiding, probleemstelling of hoofdvraag.

3.       Analyseer de kern: één deel, meerdere delen, onderlinge verhouding van de delen.

4.       Analyseer het slot: conclusie, aanbeveling, samenvatting, slotzin, toevoegingen,

5.       Analyseer de alinea’s: kernzin, uitwerking, signaalwoorden, tekstverbanden.

6.       Beschouw en markeer de overige structuuraanduiders: titel, ondertitel, lead, tussenkopjes, signaalwoorden, afwijkende typografie, illustraties.

INHOUD

7.       Verklaar de titel en de ondertitel.

8.       Omschrijf of citeer de aanleiding tot het schrijven deze tekst.

9.       Geef de belangrijkste probleemstelling of hoofdvraag van deze tekst.

10.   Vat de hoofdlijnen van de kern beknopt samen.

11.   Bepaal de aansluiting van de drie tekstdelen.

12.   Geef het bouwplan van deze tekst.

13.   Formuleer de hoofdgedachte van deze tekst.

ARGUMENTATIE

14.   Omschrijf of citeer stellingen uit deze tekst.

15.   Geef de argumentatie bij deze stellingen.

16.   Benoem de bijbehorende argumentatiestructuur.

17.   Geef aan op basis waarvan geargumenteerd wordt

18.   Beoordeel de argumentatie.

19.   Citeer, benoem en verklaar drogredenen.

TEKSTSOORT EN TEKSTDOEL(EN)

20.   Maak een gedetailleerde analyse van de tekstsoort en de tekstdoelen.

BRON(NEN) EN BETROUWBAARHEID

21.   Noem auteur, datum en krant of tijdschrift waarin het artikel oorspronkelijk verscheen en bepaal de waarde en betrouwbaarheid van het artikel.

22.   Maak een lijst van bronnen die de auteur gebruikt. Maak onderscheid tussen ervaringsdeskundigen, autoriteiten op een bepaald vakgebied, schriftelijke bronnen en overige bronnen.

23.   Geef van elke bron beargumenteerd de betrouwbaarheid aan.

STIJL

24.   Analyseer het taalgebruik van de auteur. Let op vaste stijlkenmerken, beeldspraak, metaforen, formuleringsfouten, stopwoordjes.

25.   Citeer voorbeelden van humor, ironie, sarcasme, cynisme.

26.   Analyseer wat de auteur doet om de tekst leesbaar te maken en de aandacht van de lezer vast te houden.